|
Het ras is even oud als de oude Vikingen en iedere Buhund-eigenaar mag trots zijn dat een beetje van het oude vikingenbloed in de Buhund bewaard is gebleven. Er zijn vele opgravingen gedaan in het hele noorden van Noorwegen. Een der belangrijkste vondsten is geweest in Gokstad, waar een Vikingengraf van omstreeks het jaar 900 werd blootgelegd. Hier werden geraamten van honden aangetroffen, welke volgens kenners de voorvaderen zijn van de hedendaagse Buhund. Aangezien meerdere vondsten erop duiden dat de Vikingen begraven werden met voorwerpen die zij nodig konden hebben in hun volgend leven, is het aannemelijk dat deze honden in de Vikingentijd tot het dagelijks leven behoorden. Een leven waarin zijn taak als jachthond een belangrijke plaats innam. Deze honden hebben het nomadenleven van de oude Noorse volkeren gevolgd en zijn daardoor verspreid over het hele land - en ver daarbuiten. Oorspronkelijk was het een zeer tal- en soortrijke spitsvariant, welke zich later ontwikkelde tot een meer gelijk type. In west-Noorwegen - met name in de provincie Tröndelag - ontstond een meer solide stam toen de nomadenvolkeren zich hier vestigden, zich toelegden op landbouw en veeteelt en hij meer en meer de taak kreeg van boerderijhond en schaapsherdertje. In oude tijden werden door de herders in de bergen hutten gemaakt van op elkaar gestapelde stenen, waar zij gedurende het zomerseizoen met hun schaapskudde en hond verbleven. Dit verklaart de eenvoudige naam "Bu", wat boerderijtje, hut of stal betekent. Verondersteld wordt dat uit vermengingen met noord-Noorse huis- en erfhonden onder andere de Lundehund zou zijn ontstaan: een mening die echter niet door alle onderzoekers wordt gedeeld. Wel is zeer waarschijnlijk dat de Buhund de verre voorvader is van de hedendaagse IJslandhond. Op hun veroveringstochten over zee, hadden de Vikingen hun honden bij zich toen zij in de jaren 700-800 IJsland binnenvielen.
De grondslag van de Buhund zoals wij die vandaag de dag kennen, heeft rond de vorige eeuwwisseling zijn start gekregen. Staatsconsul Jon Sæland komt de eer toe als degene die dit bewerkstelligd heeft. In 1913 werd door het Noorse Dep. van Landbouw toestemming verleend om Buhunden te laten keuren op de schapen- en geitententoonstellingen. Ofschoon deelname in het begin niet al te groot was, was het toch een aanzet voor gerichte fok. Met scherp inzicht probeerde Jon Sæland deze fijne intelligente werkhond te behouden en verder te ontwikkelen. In maart 1926 vond, naast 'n schapen- en geitenkeuring, de eerste Buhund-tentoonstelling plaats. Keurmeester was Jan Sæland. De eerste prijs ging naar de hond "Flink" (Foto in fotogalerie) van schapenfokker Jesper Ravndal. Sæland beschreef deze hond als het ideale type: krachtig en compact, met een wigvormig hoofd, rechte, korte rug en een goede vacht. Deze hond mag beschouwd worden als de stamvader en staat in het Noors Buhund-stamboek ingeschreven als no. 1. Hij heeft tot aan zijn 14e jaar tal van nakomelingen verwekt en zijn naam staat aan het begin van praktisch alle stambomen. De eerste speciaal keuringen werden gehouden in de jaren 1920-1930. In oktober 1926 werd de standaard vastgesteld en in 1939 werd de Norsk Buhund Klubb opgericht en erkend door de Norsk Kennel Klubb. De Buhund werd nu bekend, de vraag naar dit ras steeg explosief. Dit leidde tot een massaproductie, waaraan het ras bijna ten onder is gegaan. De grote inzet van Jan Sæland en Toralf Raanaas - de eerste voorzitter van de NBK - heeft het ras van teloorgang gered. Men ziet nu in Noorwegen een gelijkheid in type en goede kwaliteit. Populatie: Groot-Brittannië: De Buhund is buiten Noorwegen het langst en meest bekend in Engeland. Hier werden in 1946-1947 de eerste Buhunden geïmporteerd. Een tweejarige reu en een drachtig teefje Tertit, welke in quarantaine 7 pups wierp. Twee kleinkinderen van dit teefje zijn later naar Australië gegaan om op een schapenfarm te werken, waarvan de eigenaar liet weten dat ze "naturals at working sheep" waren. Beide werden Australisch kampioen en waarschijnlijk ook de stamouders van de Australische populatie. Op basis van o.a. die eerste importen in Engeland is een uitgebreide populatie opgebouwd. Aangezien Engeland niet aangesloten is bij de FCI en daarmee niet gehouden is de Noorse standaard te volgen, verliep de ontwikkeling niet geheel parallel met het Noorse beeld. Ook de strenge quarantainevoorschriften met de daaraan verbonden hoge kosten, maakte het de Engelse liefhebbers er niet makkelijker op vers bloed te importeren. Laag benigheid, wat zware bouw, vrij ronde hoofden met vaak bolle, licht ogen werd vaak aangetroffen. Begin jaren '80 veranderde dit beeld geleidelijk en begon men steeds meer honden te zien die het door Noorwegen gewenste type vertegenwoordigden. Wel kampt men in Engeland met het probleem van de oogaandoening "Juvenil Cataract": het soms al op jeugdige leeftijd optreden van grauwe staar. Denemarken: In Denemarken is de Buhund ook ruim vertegenwoordigd. Binnen de Deense Kennelklub is de Noorse Buhund Klub een hechte en actieve vereniging. De kwaliteit van de Deense populatie - gebaseerd op Noorse en Zweedse honden - is zonder meer zeer goed te noemen. Duitsland en België: De populatie in Duitsland en België is zeker niet groot in aantal, doch kwalitatief goed, gebaseerd op Noors en Zweeds bloed. Nederland: De eerste Buhund in Nederland - een teefje - werd in 1974 vanuit Engeland geïmporteerd door wijlen Mw. S. Haverkamp-Begeman. Een reutje en een tweede teefje volgenden kort daarop. Dit tweede teefje werd in Engeland gedekt en kwam drachtig naar Nederland. Begin 1978 kwamen de eerste Noorse importen. Reu en teef van uitstekend type. Hierna groeide het bestand langzaam doch gestaag. Begin jaren '80 kwam uit Noorwegen de eerste zwarte Buhund - een teefje - naar Nederland. Vanaf de jaren '90 volgden meerdere importen, deels uit Noorwegen, deels uit Denemarken. Veel wordt er niet gefokt met de Buhund: door onbekendheid van dit ras is de vraag (gelukkig!) niet groot en de enkele fokkers daarom terughoudend en selectief met nesten. De nu aanwezige basis is goed en solide, de verstandhouding tussen de enthousiaste liefhebbers prima en de contacten goed. Dit waarborgt voor de Buhund in Nederland - zij het op bescheiden schaal (ca. 120 - '03) - beslist een zekere toekomst.
|